Woordenlijst

  • Alaska Native Brotherhood (ANB):
    In 1912 gestichte organisatie ter bescherming van inheemse rechten. Onder leiding van de Tlingit-broers Louis en William Paul bereikte de ANB dat de bewoners van Alaska het staatsburgerschap kregen (1922) en dat visserijrechten en rechtsgelijkheid met de andere inheemse volkeren van andere staten gewaarborgd werden, tevens werd gestreden om de erkenning van landrechten. Oorspronkelijk sprak de ANB zich uit voor assimilatie met de Amerikaanse maatschappij, maar sinds het einde van de jaren 1960 draagt zij bij aan het versterken van het "traditionalisme".
  • Adelaar:
    Verzamelnaam voor verschillende soorten roofvogels, in Noord-Amerika met name de steenarend en de Amerikaanse zeearend. Als grootste roofvogel had de adelaar in veel Noord-Amerikaanse culturen een grote religieuze en symbolische betekenis. Hij werd met name met de zon geassocieerd, wiens stralen op de plains en bij de Hopi aangeduid werden als adelaarsveren, die op veel plaatsen symbolen waren van krijgsprestaties. In het Noordoosten en aan de Noordwestkust voeren zij als dondervogels permanent strijd met de waterdieren en gaan door als helpers van krijgers resp. walvisjagers. Bij sommige volkeren (bijv. Pueblo-volkeren, Hidatsa) werden ze levend gevangen en vanwege de veren in kooien gehouden.
  • Berencultus:
    In het noorden van Noord-Amerika een bepaalde rituele houding bij het doden van de als bijzondermenselijk beschouwde beer (ijs, grizzly en zwarte beer), die door de jager werd aangesproken in verwantschapstermen, die om vergeving voor zijn dood werd gevraagd, na zijn dood feestelijk versierd werd en te drinken kreeg. De verdeling van het vlees en de behandeling van het gebeente geschiedde volgens strenge regels. Een vergelijkbaar ritueel werd in Alaska aan de walvis gewijd.
  • Bitterroot (Lewisia rediviva):
    Tot de postelein familie behorende plant van het Plateau, waarvan de wortel tussen april en juni op verschillende hoogten verzameld wordt en als wintervoorraad gedroogd. Bij het oogstdankfeest van de Sahaptin werd bitterroot na water en zalm genoemd.
  • Bleekgezichten:
    Sinds het begin van de 19de eeuw, naar men zegt door indianen gebruikt woord voor blanken. Naast vergelijkbare termen als ´bleekhuidmensen´ (Ojibwa) en ´witvleesmensen´ (Choctaw) zijn er nog vele andere omschrijvingen: ´geelogen´ (Osage), ´muildiermensen´ of ´chaamhaarmensen´ (Kiowa) en ´spinnen´ (Cheyenne, Arapaho).
  • Cherokee Phoenix:
    De eerste indiaanse stamkrant, tussen 1828 en 1834 uitgegeven door Elias Boudinot (1804-1839) in de Cherokee Nation in Georgia in het Engels en in het Cherokee lettergreepschrift.
  • Dierenzielen:
    De voorstelling van het bezield zijn van dieren was in inheems Noord-Amerika wijd verbreid. In tegenstelling tot de voorstelling van de mensenziel bezaten dieren meestal slechts een ziel die niet individueel was, maar als een uiting van de gemeenschappelijke “bewoners”, eigenaren’of ‘heren’ van een diersoort werd beschouwd.
  • Geesten:
    Een term die zowel gebruikt wordt voor bovennatuurlijke wezens met bovenmenselijke, maar in vergelijking met goden beperkte bekwaamheden (bijv. beschermgeesten) als voor de in de wereld verblijvende zielen van overledenen (doodsgeesten).
  • Hemelvrouw:
    Mythologische figuur bij de volkeren van het Noordoosten ( Huron, Iroquois, Mahican, Delaware ), die in de oertijd door een gat vanuit een hogere wereld op de aarde viel, op de voor haar op de rug van een schildpad geschapen wereld terecht kwam, en moeder of grootmoeder werd van de cultuurheld en oermoeder van de mensheid.
  • Indianenwortel:
    Peterseliegewas dat op het Plateau in het voorjaar met graafstokken werd opgegraven en waarvan de wortels gegeten werden. De wortel werd soms ook ´yampa´ genoemd, een uit het Shoshone afkomstige term voor een aardappelachtige knol, die zijn naam leende aan een groep van de Comanche, de Yamparika (Yampa-eters).
  • Jonge-maisceromonie:
    Vier tot acht dagen durend nieuwjaarsfeest bij de volkeren van het Zuidoosten, dat in juli of in augustus wordt gevierd als de nog groene maiskolven hun volle omvang hebben bereikt (Busk). Bij de Iroquois is deze ceremonie vooral een dankfeest waarin om gezondheid wordt gebeden.
  • Kani (Numa, ´huis´):
    Met gras bedekt zomerhuis van de volkeren in het Grote Bekken.
  • Katyutayuk:
    In de voorstellingswereld van de Inuit van Québec een klasse van vrouwelijke menseneters, waarvan het hoofd direct aan de voeten vastzat en van wie de voetstappen de donder veroorzaken. De wezens kunnen door muren lopen en veroorzaken s’nachts herrie doordat zij tegen huizen en voorwerpen aanlopen.
  • Ketoh:
    Navajo-aanduiding voor de lederen band die boven de pols gedragen werd als bescherming tegen de terugschietende boogpees. Na introductie van de zilversmederij werd de ketoh versierd met platen van gedreven og geciseleerd zilver, die vaak met turkoois waren bezet. De voorwerpen werden een geliefd sieraad van de Navajo-mannen, maar verschenen ook onder de uitrustingsstukken van de kachina-dansers van de pueblo-volkeren.
  • Lange Mars (´Long Walk´):
    Aanduiding voor de onder militair toezicht uitgevoerde gedwongen herhuisvesting van meer dan 9000 Navajo van Fort Canby in Arizona naar Bosque Redondo in New Mexico in de winter van 1863-64, waarbij honderden Navajo om het leven kwamen. Na hun vrijlating in 1868 werd het nadien regelmatig uitgebreide Navajo-reservaat in New Mexico en Arizona gesticht.
  • Leviraat:
    Het voorkeurshuwelijk van een man met de weduwe van zijn overleden broer. Dit in Noord-Amerika veel voorkomende gebruik diende ter bestendiging van de relatie tussen de twee verwantschapsgroepen, die door het huwelijk was gelegd.
  • Little Bighorn:
    Op 25 juni 1876 zegevierde een verbond van Lakota, Cheyenne en Arapaho over het 7de regiment van de Amerikaanse cavelarie onder de populaire generaal uit de burgeroorlog George Armstrong Custer, die het gemeenschappelijke kamp van deze stammen aan de Little Bighorn River in Montana overhaast had aangevallen. De nederlaag was een pijnlijke vernedering voor het Amerikaanse leger, maar vormde vooral voor de radicale indianenbeweging na 1960 het voorbeeld voor het verzet tegen de Amerikaanse maatschappij.
  • Ma’toki:
    Bond van de "bizonvrouwen" bij de Blood en de Northern Blackfoot op de noordelijk plains. De in vier klassen georganiseerde bond hield iedere zomer ceremonies, waarbij de leden verschillende hoofdtooien droegen van veren, hoorns of slangenkoppen. Het vruchtbaarheidsritueel moest zorgen voor de toename van de bizonkudden.
  • Mocassins (uit Algonquin-talen, voetbekleding):
    Algemene term voor inheemse schoeisel uit Noord-Amerika. In het oostelijk bosgebied en in de Subarctis overheersten vormen zonder aparte zool: zool en bovenleer bestonden uit één stuk (soms met ovalen inzetten op de wreef) Op de plains en in het Zuidwesten was het zachte bovenleer meestal vastgenaaid aan de zool van ongelooid, stijf leer. De talrijke varianten in snit en decoratie bieden aanwijzingen over de herkomst van het desbetreffende exemplaar. Laarzen met hoge schacht worden niet tot de mocassins gerekend.
  • Native American:
    Sinds de jaren 1960 ´politiek correcte´ term voor de inheemse volkeren en personen in de VS, die populair is geworden bij blanken en inheemse intellectuelen, maar niet in de reservaten waar meestal nog de term ´indianen´ wordt gebruikt.
  • Noordwestpassage:
    Een door de vroege Europese ontdekkingsreizigers vermoede directe verbinding tussen de Atlantische en de Grote Oceaan in het noorden van Noord-Amerika. Het zoeken naar deze doorgang, vanaf de 16de eeuw vanuit het oosten en vanaf eind 18de eeuw vanuit het westen, bracht veel Eskimo-groepen voor het eerst in contact met de blanken.
  • Oka-crisis:
    Militaire cofrontatie tussen de Mohawk van Kanehsatake (Oka) bij Montreal en de politie van Québec resp. het Canadese leger in de zomer en herfst van 1990. De Oka-crisis ontbrandde door de geplande uitbreiding van een golfbaan op een begraafplaats van de Mohawk, maar was vooral een voortzetting van een oud conflict over landrechten voor de in de 17de eeuw als missieleerlingen op kerkelijk land gehuisveste Mohawk. Bovendien weerspiegelde de militante actie, die door de fractie van de ´Mohawk Warriors´ werd gevoerd, de partijstrijd binnen de Mohawkgemeenschap over het toelaten van en toezicht houden op casino´s in het reservaat.
  • Opperhoofd:
    In het algemeen taalgebruik de politieke aanvoerder van samenlevingen die geen nationale grenzen hebben; onderling vertonen zij echter meer verschillen dan overeenkomsten. In principe kunnen opperhoofden dit ambt bereiken door bewezen prestaties (als jager, krijger of redenaar bijv.) of dankzij het lidmaatschap van een bepaalde familie of andere verwantschapsgroep. Vaak was overtuigingskracht hun sterke kant in de politiek, soms beschikten zij bij het uitoefenen van hun macht over fysieke machtsmiddelen of werd hun macht door de religie gelegimiteerd. Vaak waren er verschillende opperhoofden in oorlogs-en vredestijd.
  • Pad der Tranen (´Trail of Tears´):
    De gedwongen hervestiging van de Cherokee ten gevolge van de ´Indian Removel Act´ vanuit hun woongebied in Tennesee, Georgia en North Carolina naar Oklahoma in de zomer an winter van 1837-38 kostte rond een kwart van de 16.000 indianen het leven. Een kleine 1000 Cherokee kon zich redden door de bergen in te vluchten, ca. 5000 waren eerder al vrijwillig naar het westen getrokken.
  • Pemmikan (Cree, ´gesmolten vet´):
    In het noorden en midden van Noord-Amerika werd vlees van kariboe, eland of bizon gedroogd en fijn gemalen, vaak met bessen gemengd en met warm vet overgegoten. Deze pemmikan was lange tijd houdbaar.
  • Piki:
    Plat, blauw maisbrood van de Hopi, uit deeg van blauwe mais en aswater dat op een met meloenzaden geoliede bakplaat boven een open vuur wordt gebakken. De droge boterhammen worden plat of opgerold met of zonder beleg bij feestelijke gelegenheden als huwelijken gegeten, maar ook wel dagelijks als het brood beschikbaar is.
  • Platformbijzetting:
    Bovengrondse bijzetting op een platform in een boomkruin of op palen. Dit kon (zoals op de plains, waar de grond bevroren was of anderszin te hard om een kuil te graven) de enige vorm van bijzettingen zijn, maar was in delen van het Zuidenoosten slechts de eerste stap in een langer proces, waarbij later de resten vlees van de botten werden geschraapt en alleen de botten definitief werden bijgezet. Aan de zuidelijke Noordwestkust gebruikte men boten als platforms.
  • Rooksignalen:
    Werden vooral in steppegebieden, zoals de plains waar het zicht niet door bomen wordt beperkt, vanaf heuvels gegeven om boodschappen over te brengen; hiertoe werd vochtig gras of blad op het vuur gegooid. Door het afdekken van het vuur met een deken konden rookpluimen van verschillende lengte worden geproduceerd, die door het toevoegen van bepaalde planten ook nog een verschillende kleur konden hebben. Bij helder weer waren rooksignalen tot op 80 km te zien.
  • Rouwoorlogen:
    In het noordoosten van Noord-Amerika oorlogen om wraak te nemen voor de eigen oorlogsverliezen en voor het maken van gevangenen, die door adoptie in de gemeenschap werden opgenomen. Net als in de ruileconomie, werd gestreefd naar evenwicht tussen de oorlogvoerende partijen.
  • Scalp:
    Krijgstrofee, een meestal op een raam gespannen stuk van de hoofdhuid van een vijand met haar, vooral gebruikelijk bij de volkeren van oostelijk Noord-Amerika, maar ook op de plains en in het Zuidwesten. Mogelijk speelt de scalp, net als het hoofd bij het koppensnellen, een rol bij riten die met de vruchtbaarheid te maken hebben, en wordt dan ook bij vrouwendansen demostratief ten toon gesteld. Het scalperen is een pre-Europese praktijk die door de invoering van scherpe ijzeren messen en het betalen van scalppremies-waarvan de introductie rond 1640 wordt toegeschreven aan de gouverneur van Nieuw-Nederland, Willem Kieft- bevorderd werd.
  • Seminole-oorlogen:
    Twee militaire conflicten tussen de Seminole in Florida en de VS. Tijdens de eerste vochten de Seminole in 1817-18 in het nog Spaanse Florida tegen Amerikaanse grensposten; hun nederlaag tegen generaal Andrew Jackson had tot gevolg, dat Florida door Spanje werd afgestaan aan de VS. In de tweede oorlog (1835-1842) verzetten de Seminole zich tegen de gedwongen hervestiging in Oklahoma, waar de meerderheid echter niet aan kon ontsnappen.
  • Sioux-oorlogen:
    De hevige militaire conflicten tussen Dakota, Nakota en Lakota en het Amerikaanse leger tussen 1862 en 1881. Ze begonnen met de opstand van de Dakota in Minnesota tegen de heerschappij van de blanken en breidden zich in 1863 door de aanvallende wijze van verdedigen van de blanken uit naar de westelijke Sioux, die zich onder aanvoering van Red Cloud, Crazy Horse en Sitting Bull verdedigden. Na het Verdrag van Fort Laramie ( 1868 ) heerste er korte tijd vrede, totdat het leger de Black Hills binnendrongen en to de Slag bij Little Bighorn (1876). De oorlogen eindigden met de terugkeer van Sitting Bull uit ballingschap in Canada.
  • Tipi (Dakota, ´woning´):
    Term voor de kegekvormige, met leer overdekte tent van de plains-volkeren. Een tipi bestaat uit een dragend geraamte van drie of vier ongeveer 7m lange stokken, die schuin worden neergezet en net onder de top aan elkaar zijn vastgebonden; daartussen worden daarna meer stokken neergezet zodat een rond grondplan ontstaat. Het tentzeil bestaat uit een dozijn of meer bizonhuiden, en wordt aan de voorkant met houten pennen gesloten. Voor de invoering van het paard was de tipi noodgedwongen klein, daarna kon de doorsnee ca. 6m bedragen. Door de constructie kon hij snel worden opgebouwd en afgebroken, waardoor de mobiliteit van de plains-volkeren toenam.
  • Travois (Canadees-Frens, travail ´driepaal´):
    Slee op de plains, bestaande uittwee lange, meestal gekruiste stokken die aan de uiteinden door een plank waarop de goederen lagen, met elkaar waren verbonden. Op het punt van de kruising rusten de stokken op de nek van het trekdier (een hond, later een paard). Op de travois werden tentzeilen, huisraad en kleine kinderen vervoerd.
  • Uktena:
    In het wereldbeeld van de Cherokee een monster uit de onderwereld in de gedaante van een gevlekte slang met vleugels en horens, die zich in een eeuwig conflict met de havik Tlanuwa bevindt, waarin de mensen ongewild terecht gekomen zijn. Gevleugelde en gehoornde slangen komen voor op afbeeldingen uit het ´Zuidoostelijk Ceremonieel Complex´ maar ook in de voorstellingswereld van de volkeren van het Noordoosten.
  • Verentooi:
    Meestal uit adelaarsveren bestaande hoofdversiering, die bij de volkeren van Prairies en Plains vooral als kenteken diende van functionarissen in bepaalde krijgersbonden. Er bestonden aanmerkelijke verschillen in vorm, het aantal veren en de manier waarop ze op een leren kap waren aangebracht. Als cirkel van adelaarsveren symboliseerde de tooi vaak de zon. Nu geldt de verentooi als een symbool voor de ‘de indianen’en heeft hij zich inmiddels ook verbreid onder volkeren waar hij oorspronkelijk onbekend was.
  • Wakan (Lakota, ´geheim´ ´onbeprijpelijk´ ´heilig´):
    Term voor de aard van het bovennatuurlijke en het onverklaarbare in de wereld, inclusief de bekwaamheden die men door het contact met bovennatuurlijke wezens kon verkrijgen. In de vorm van personen bestonden de wakan uit zestien of vier maal vier bovennatuurlijke wezens, of uit een veel verondersteld groter aantal, die samen de wakantanka (´het grote geheim´) vormden. Deze systematische visie op de zaken was vermoedelijk een niet door alle Lakota gedeelde leer van de regilieuze specialisten of wakan-mensen.
  • Wapato (Chinook-jargon uit het Cree, wittezwam):
    De wortelknollen van een soort pijlkruid dat ook als ´moerasaardappel´ bekend is; ze werden aan de Columbia River verzameld en verhandeld met het binnenland.
  • Wiegenplank:
    Een vorm van een kinderdraagstel, vooral in het Noordoosten en op de prairies; het kind ligt op een plank, terwijl ter hoogte van het gezicht een houten ´rolbeugel´ is aangebracht.
  • Wounded Knee:
    Plaats aan de gelijknamige beek in het Pine Ridge Reservaat in South Dakota. Hier richtte het Amerikaanse leger op 29 december 1890 een bloedbad aan waarbij meer dan 200 Lakota onder opperhoofd Big Foot de dood vonden. De Lakota hadden zich op het hoogtepunt van de ´Ghost Dance´overgegeven en zouden worden ontwapend. De slachting betekende het einde van de indianenoorlogen in de VS. In februari 1973 werd deze symbolisch belangrijke plaats bezet door leden van de militante ´American Indian Movement´ als protest tegen het corrupte stambestuur en de indianenpolitiek van de VS. De maanden durende militaire confrontatie trok internationaal veel aandacht waardoor de AIM en haar leiders korte tijd beroemd waren.
  • Ye´i:
    In het geloof van de Navajo een groep stomme, bovennatuurlijke wezens (Diyin Dine´é), die in het kader van bepaalde ceremonies door gemaskerde personen werden belichaamd. Hun aanvoerder is de ook al ye´i bichai (moederlijke groorvader van ye´i) bekende Sprekende God, naar wie soms het negen nachten durende ´nachtgezang´ ceremonieel genoemd wordt, in de laatste nacht waarvan de ye´i optreden. Hiertoe behoren ook de Roepende God, twee Franjemonden, de Gebochelde (een belichaming van het dikhoornschaap), de clown Watergieter, de Zwarte God, de Grote God en een hele reeks mannelijke en vrouwelijke ye´i.
  • Ziel:
    Het meestal onzichtbare levens- en bewustzijnprincipe van de mens en ieder ander levend wezen, die door een ziel een persoon wordt. Het grootste deel van de Noord-Amerikaanse volkeren veronderstelde minstens twee van dergelijke principes: Een aan het lichaam gebonden ´adem´- of ´levensziel´ als levensprincipe en een ´vrije´ ziel als bewustzijnprincipe, die in de droom het lichaam kon verlaten. Het lot van deze zielen na de dood varieert, waarbij er een vaak als doodsgeest nog enige tijd in de buurt van het graf verblijft, terwijl de andere naar gene zijde vertrekt (naamsziel, reincarnatie). Dieren beschikken vaak slechts over een collectieve ziel, die door een ´soort eigenaar´ of heerser resp. heerseres door de dieren belichaamd wordt.
  • Zonnedans:
    Het belangrijkste, gemeenschappelijke religieuze feest bij de volkeren van de plains, dat ten tijde van de zomerse bizonjacht gehouden werd ten behoeve van het welzijn van de deelnemers, maar ook van de hele gemeenschap. Bij het in een apart hiervoor gebouwde zonnedanshut meerdaagse feest legden de dansers geloften af, waarin zij bovennatuurlijke wezens persoonlijke offers als dank voor hun hulp beloofden. Vanwege de hiermee verbonden zelfmarteling als het toppunt van barbarij werd de zonnedans in 1881 door de Amerikaanse regering verboden, maar sinds de jaren 1960 wordt hij weer alom gedanst.
  • Zweethuis (zweethut):
    Gebouw waarin een zweetbad genomen kon worden, dat in grote delen van Noord-Amerika zowel voor de lichamelijke als de geestelijke reiniging noodzakelijk was. In Noord- en Zuidwest-Alaska, in Californië en in het pueblo-gebied, waar het zweten werd veroorzaakt door de hitte van het vuur, diende het zweethuis in de winter tevens als mannenhuis (qasgiq). In het Zuidoosten woonden in vergelijkbare winterhuizen (hot houses) ook vrouwen. Een grotere verbreiding hadden stoombaden in de vorm van kleine, koepelvormige gebouwtjes waarin water op verhitte stenen werd gesprenkeld; zij werden meestal door een persoon tegelijk gebruikt, maar de laatste tijd dienden zij vooral op de plains ook als plaatsen van ritueel onder een ceremonieel leider.